Aan een vreemdeling in de kantine van het Gorki Theater

Een aarzeling: “Na jou, ik weet nog niet wat ik neem.”
“Geen sprake van. Jij eerst.”

Een lach en een verontschuldiging later namen we beiden hetzelfde.

We lepelden de Berlijnse vrieskou uit ons lichaam
warmden ons aan het comfort van die toevallige ontmoeting
gek, hoe zoiets je kan verrassen
alsof de ijzige wind ook de hoop op iets zinvols wegsnijdt
nee, ik had geen vuur, maar de anderen wel en
onder de vonk van je tabak ontdooiden we verder.

Je raapte de stukken van je gebroken Engels samen en
vertelde dat wie daar zijn hart op de planken legt
zijn eigen cel bouwt
je vluchtte uit de holle theaters met hun
draagbalken kreunend onder het regime dat ze torsen
met hun muren die tussen ons en het verhaal in staan.
met jou staken ook de woorden de grens over
op weg naar de stad die haar muren sloopte.

“Ik ga terug,” zei je. Je had een plan.
Het was al donker en
hoewel je nog niet voldoende brokstukken had om je verhaal af te maken
liet ik je achter in de wetenschap dat die vonk in de nacht
terug over grenzen zou gaan en ook daar muren zou slopen.


(Gepubliceerd in “Ik zag tien beren letters smeren. Poemtata Poëziewedstrijd 2018. Zelzate: University press.“)





terug