Mijn hemel vaart

De hemel vaart
vliedt schuift
schuifelt door het open
venster naar binnen

schuift straalt streelt
het bandje van de
schouder
af

De langgerokte rookster
- in een verleden ook… rockster
of zoiets, maar dan met minder sterren -
leunt haart blote benen tegen
het raamkozijn omhoog

Daarachter strak blauw
niet kobalt, cyaan, aquamarijn
geen Yves Klein en tot op heden niet gepattenteerd — hoopt zij.
Eerder hemels.

Klamp je vast aan een stukje van dat blauw
bezit het, bezet het
vang het in een woord
plant er je vlag in, want dan is het van jou — van jou?
wij, dictators van de woordkunst
vlaggenplanters, woordbezetters
in de bikkelharde strijd
met een te duchten tegenstander
de huisbaas.

De hemel vaart verder onbezet onbezeten
voorbij een school losgeslagen possessiva
- een bijzonder invasieve soort



terug